Geschiedenis Istanbul
De vierde kruistocht
De vierde kruistocht duurde van 1202 tot 1204. Onder leiding van de Venetianen nam deze tocht meer en meer het karakter van een handelsoorlog aan. De handelsstad Venetië, welke haar opkomst voor een groot deel te danken had aan de handel met Constantinopel, was niet de meest ideale handelspartner, en deed, indien de middelen voor handen waren, het recht van de sterkste gelden. De kruisvaarders scheepten zich op aandrang van de Venetianen, aan wie zij de hoge kosten van de overtocht niet konden betalen, in naar Constantinopel en namen de stad voor het eerst in haar geschiedenis als rijkshoofdstad in. De Byzantijnse keizer week uit naar Nicea.
De Venetianen plaatste een gevluchte zoon van de keizer op de troon. Toen bleek dat hij niet in staat was de dingen te doen die door de Venetianen gewenst werden, lieten de Venetianen de stad door de kruisvaarders plunderen. Ze verdeelden het rijk onder de kruisvaarders en henzelf. Byzantium, het bastion tegen de islam, werd door dit alles onherstelbaar verzwakt. Nu ontstond het zogenaamde Latijnse keizerrijk, dat echter geen lang leven beschoren was.
De Byzantijnen heroveren Constantinopel
In 1261 heroverden de Byzantijnen hun rijk met behulp van de Genuezen en werden de Latijnen uit Constantinopel gezet. Nu kwam de dynastie van de Paleologen aan de macht, die tot aan het einde van het Byzantijnse rijk in 1453 zou blijven regeren. Onder deze laatste dynastie beleefde Byzantium op cultureel gebied een grote bloei. Op alle andere gebieden ging het echter zeer slecht met het rijk. Het rijk zag de bodem van de schatkist, er waren grote spanningen op sociaal en religieus gebied en in het noorden verloren de Byzantijnen grote delen van hun rijk aan de Bulgaren en Serven, dat hun eigen nationale staten wilden vergroten. Daarnaast ondervond het rijk een grote bedreiging van de kant der Osmanen, een Turkse stam uit Midden-Azië.
De Byzantijnse Kunst Het Byzantijnse rijk is de bewaarder geweest van de Grieks-Romeinse beschaving gedurende de Middeleeuwen. Geleerden te Constantinopel waren voortdurend bezig met het kopiëren van antieke teksten in nieuwe perkamentcodices. De perkamentcodex (gebonden boek) had vanaf de derde eeuw na Chr. de papyrusrol vervangen. Na de val van Constantinopel namen de geleerden deze kostbare codices mee op hun vlucht naar het westen. Ondanks dat Constantinopel de traditie van de Alexandrijnse school voortzette, heeft het Byzantijnse rijk weinig toegevoegd aan het overgebleven Grieks-Romeinse cultuurgoed. Dit is deels te wijten aan de taal waarvan de Byzantijnse wetenschap zich bediende. In hun werken gebruikten de Byzantijnen het volkomen verouderde Attische Grieks, dat voor een enkeling verstaanbaar was en waardoor er nu aan ons weinig over bekend is.
Wel heeft de Byzantijnse kunst een grote stempel op het westen gedrukt. Hiervan zijn de Italianen grotendeels de overdragers geweest. Naast dat de Byzantijnse kunst een versmelting was van klassieke, oosterse en plaatselijke elementen, kreeg het, mede onder invloed van het christendom, een geheel eigen gezicht en een nieuwe creativiteit. Men onderscheidt drie perioden. De eerste loopt van Justinianus (527) tot 727. Kenmerkend voor de kunst uit deze tijd is een strakke compositie en frontaliteit. Van 727 tot 843 stagneerde de ontwikkeling van de Byzantijnse kunst. Dit was de periode van het iconoclasme, waarin het niet toegestaan was religieuze onderwerpen in de kunst uit te beelden. Hierdoor kreeg de profane (niet-kerkelijke) kunst logischerwijs wel een enorme stimulans.De tweede periode, de zogenaamde middeleeuwse Byzantijnse stijl, loopt van 900 tot 1200. In deze periode werd, ondanks de strenge en statische vormen, de afbeelding van het menselijke gezicht levendiger en realistischer. De derde periode, welke van 1261 tot 1453 loopt, is de zogenaamde Paleologen renaissance. De vormen werden vrijer, de gouden achtergrond in de mozaïeken maakte plaats voor realistische landschappelijke en architectonische elementen. Ook valt er een driedeling aan te brengen in de Byzantijnse kerken. Het eerste type was de eenvoudige kerk met een Grieks kruis als plattegrond. Van dit type waren alle armen even lang. Het tweede type was de koepelbasilica; een combinatie van een basiliek met een centraalbouw. Met dit type basiliek, waarvan de binnenruimten zo ingedeeld waren dat het leek alsof ze een geheel vormden en zo een enorm ruimtelijk effect geschapen werd, waren de Byzantijnen de eersten. Het was onder Justinianus dat men de bouwvorm van de westerse basiliek definitief de rug toekeerde, en de cirkelvormige plattegrond, overdekt door een enorme hoofdkoepel en verschillende kleinere halfkoepels, als standaardbouwvorm aanvaardde. De Hagia Sophia te Istanbul is hier een mooi, en in architectonisch opzicht gedurfd voorbeeld van. Er was sindsdien een definitieve breuk tussen de Oosterse en Westerse bouwkunst. Het derde type kende een centrale koepelbouw, die te zien is bij de kerk van Sergius en Bacchus in Istanbul. Het belangrijkste stijlkenmerk van de Byzantijnse architectuur was het gecentraliseerde grondplan, met de vorm van een veelhoekig of cirkelvormig Grieks kruis. Hierin verschilden de gebouwen van de vroegchristelijke kerken, die veelal een eenvoudige rechthoek als grondplan hadden, met aan weerzijden twee zijbeuken. Verder besteedde de Byzantijnse architect veel aandacht aan de afwerking van zijn bouwwerk. De binnenmuren werden met dunne marmerplaten en mozaïeken bedekt, de buitenmuren van een pleisterlaag voorzien. Later heeft de Byzantijnse architectuur navolging gevonden in heel Europa, tot in Rusland toe. Op het gebied van de beeldhouwkunst beperkten de Byzantijnen zich tot reliëfs in steen en kapitelen versierd met dieren- en plantenmotieven. Verder werkte men veel met ivoor. Bruidskistjes, kammen en triptieken met religieuze voorstellingen werden op grote schaal van dit materiaal gemaakt.
Het einde van een keizerrijk
Na eerst het Oosters Kalifaat veroverd te hebben, keerden de Osmanen zich tegen Europa. Aan het einde van de 14de eeuw hadden ze Macedonië, Servië en Bulgarije op de Byzantijnen verovert. Rond het jaar 1350 was het Byzantijnse grondgebied dan ook ineengeschrompeld tot Constantinopel en Zuid-Thracië. Wonderlijk genoeg kon het rijk nog een eeuw voortbestaan. In de vroege ochtenduren van 29 mei 1453 zetten enorme Turkse legers de aanval in op de hoofdstad van het eens zo machtige Byzantijnse rijk. Meer dan 50 dagen duurde de verovering van deze machtige en rijke stad met de vele namen. Met de verovering van Constantinopel kwam een einde aan de lijdensweg van het Oostromeinse rijk. Constantinopel, duizend jaar eerder gekroond tot hoofdstad van dat rijk door Constantijn de Grote, werd Istanbul.Het Westen was geschokt door de val van de stad, mede omdat het nu zichzelf tegen de Osmanen moest verdedigen en zo dus direct geconfronteerd werd met een niet-christelijke macht, welke tot de vorige eeuwwisseling het Oost-Europese toneel zou blijven beheersen. De monden van de Turkse veroveraars vielen open van verbazing bij het zien van zoveel grandeur en rijkdom. Ook al was de Byzantijnse hoofdstad al honderden jaren in verval en waren de gebieden bij de driedubbele stadsmuren tot ruïnes verworden, er bleef genoeg over: straten vol met hoge gebouwen, grootse tempels en een immense kerk, de Haghia Sophia, de kerk van de heilige wijsheid. Deze kerk maakte zoveel indruk op Sultan Mehmet de Veroveraar, dat deze onmiddellijke imam ontbood en hem het gebouw liet inwijden als moskee. Daarna beklom hij het dak, dat uitzicht bood over de stad en de Bosporus en raakte voor enige tijd in de war over zoveel grandeur in verval. Hij besloot de stad in al zijn schoonheid te herstellen en zich er te vestigen.
Hoofdstad van het Osmaanse rijk
In jaren erna zou het Osmaanse rijk zich gaan uitstrekken van Marokko tot aan de Indische Oceaan, van Wenen tot diep in Perzië. 'De stad' werd, in tegenstelling tot wat algemeen gedacht wordt, niet ingenomen door een bende woeste rovers, maar door een hoogstaande en verfijnde Osmaanse beschaving. De Osmaanse Sultans bouwden de stad weer op en verrijkten haar met het geld van de veroveringen. Van heinde en verre kwam het geld naar de Sultans-Kalieven, dat hun stad liefhebbend beschreven als 'Zetel der soevereinen' of 'Drempel der Gelukzaligheid' en 'Verhevene Poorte'. De Sultans zouden er blijven tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.
Istanbul
Pas in 1930 zou de stad officieel de naam Istanboel krijgen. Deze stad, eerder ook wel Byzantium of Constantinopol genoemd, was zo groot, zo indrukwekkend, dat zij in de oude wereld van Europa en Azië eenvoudig met ´de stad´ werd aangeduid. In het Grieks 'hè polis'.


